• Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size
NederlandsfrançaisDeutschEnglishEsperanto
 
Home Documentation Interessante teksten De megafusie Nederland-Vlaanderen

De megafusie Nederland-Vlaanderen

E-mail Print PDF
There are no translations available.

Stan de Jong

België valt uit elkaar. Terwijl de Fransen een begerig oog op Wallonië en Brussel richten, kijken we in Nederland schaapachtig toe. Het besef dat Vlaanderen een fraaie bruid is, zou in Den Haag wel eens mogen doordringen. Een pleidooi voor Groot-Nederland.

Als u de buitenlandpagina’s van de krant heeft bijgehouden, weet u inmiddels alles over de zapatistas in Mexico en de denktank rond Tony Blair. U moet zo ongeveer in staat worden geacht eigenhandig een raketschild te bouwen. En de problematiek rond de Wit-Russische buffeljacht kent voor u geen geheimen meer. Altijd handig als u een gesprek op niveau wilt voeren.

Waarschijnlijk staat u echter met de mond vol tanden als iemand het Lambermont-akkoord ter sprake brengt.

"Lamberwat?"

Daar hebben we het al.

Het Lambermont-akkoord is een overeenkomst die de Belgische coalitiegenoten enige tijd geleden hebben gesloten. In dit akkoord staat dat de drie gewesten (Vlaanderen, Wallonië en Brussel) elk verregaande bevoegdheden krijgen op het gebied van landbouw, buitenlandse handel, ontwikkelingssamenwerking en fiscaal beleid. Ook de gemeente- en de provinciewet worden, als het parlement het allemaal goedkeurt, van federaal naar regionaal niveau overgeheveld.

Wie bedenkt dat de drie gewesten en gemeenschappen (de Vlaamse, Duits- en Franstalige) nu al alles te vertellen hebben over cultuur, onderwijs en ruimtelijke ordening, komt tot de conclusie dat de Belgische regering zichzelf in razend tempo overbodig maakt. Dat premier Guy Verhofstadt en zijn minister van Buitenlandse Zaken, Louis Michel, proberen België als het nieuwe gidsland te verkopen – ze waren de motor achter de boycot van Oostenrijk en de uitlevering van Pinochet – komt zo in een heel ander daglicht te staan. Veel méér hebben ze aan de Brusselse Wetstraat straks niet meer te doen.

België verdampt. Verwasemt, zeggen onze zuiderburen. Maar Nederland kijkt schaapachtig toe. De media hebben weinig belangstelling voor de stille revolutie die zich bij onze voormalige rijksgenoten voltrekt. Liever dan serieus te berichten over gezelschappen die onze gemeenschappelijke cultuur en identiteit promoten, heffen ze het vingertje over een incident rond een Vlaamse minister die werd betrapt op een reünie van Oostfront-gangers.

Te vrezen valt dat het in de politiek niet veel beter is gesteld. De rel rond de Nederlandse ambassadeur Van Dongen was veelzeggend. De ambassadeur vond het niet nodig in twee talen met zijn Brusselse collega’s te communiceren. Het Frans, zo stelde hij, was de diplomatieke taal bij uitstek. Dat Van Dongen een douw kreeg van zijn superieuren, was terecht. Hij schoffeerde niet alleen de Vlaamse premier Dewael, maar een heel volk, dat zich moeizaam aan de Franstalige overheersing heeft ontworsteld.

Een klassiek geval van Hollandse lompheid? Waarschijnlijk is het ernstiger. Sommigen verdenken de ambassadeur ervan dat hij gewoon niet op de hoogte is van de huidige verhoudingen. Als de HSL wordt aangelegd, zal Nederland met de Vlaamse, niet met de federale regering moeten onderhandelen. Anders strandt de supersnelle trein ergens in het zand bij Wuustwezel.

Het besef dat de Vlaamse regering (zeg nooit: deelregering) uiterst serieus moet worden genomen, is nog niet helemaal tot het vaderlandse corps diplomatique doorgedrongen. Die desinteresse heeft een lange geschiedenis. Nederlandse ministers van Buitenlandse Zaken waren decennialang van liberale of confessionele snit. Ze moesten niets hebben van die achterlijke katholieken over de grens, die een raar soort Nederlands brabbelden.

Veel lijkt er niet veranderd. Vorig jaar november vond in Eindhoven de jaarlijkse Belgisch-Nederlandse conferentie plaats. Het viel de Vlaamse ondernemersorganisatie op hoe ongeïnteresseerd de Nederlandse delegatie onder leiding van minister Van Aartsen was. Tot ergernis van de vertegenwoordiger van de Antwerpse Kamer van Koophandel. "Jullie boycotten ons," riep hij, "in plaats van met ons samen te werken!" Dat Nederland al eeuwen de uitbaggering van de Westerschelde, die de Antwerpse haven een uitweg naar zee biedt, traineert, zal wel een rol hebben gespeeld in zijn woedeuitbarsting.

Een visie op de ontwikkelingen in België is op de apenrots (het ministerie van Buitenlandse Zaken) ver te zoeken, vindt een kenner als Andries Postma, ex-senator van het CDA, die al jaren pleit voor het verstevigen van de banden met Vlaanderen. Van Aartsen, vermoedt hij, vindt het interessanter om een hello-how-are-you-bezoek te brengen aan het Witte Huis of een woordje mee te praten over de situatie in het Midden-Oosten. Kennelijk geldt: hoe verder weg, hoe meer cachet.

Wat het ministerie van Buitenlandse Zaken dan wél zou moeten doen? In elk geval een strategie ontwikkelen die inspeelt op het uiteenvallen van de Belgische staat. Nauwere betrekkingen met Vlaanderen zouden daarbij prioriteit moeten krijgen. Laten we het wat gedurfder formuleren: Groot-Nederland moet hoog op de politieke agenda komen.

Groot-Nederland? Dat is toch iets van extreem-rechts? Sommigen zien de bruinhemden al door de straten marcheren. Een misverstand.

Oorspronkelijk was de Vlaamse beweging, waarvan de Groot-Nederlandse beweging deel uitmaakt, een groepering van vrijzinnigen, die kort na de afscheiding van België in 1830 ontstond. Met bekrompen nationalisme, zoals het Vlaams Blok voorstaat, had het niets van doen. Door aansluiting bij Nederland kon de Vlaming zich emanciperen, was de gedachte, en zich losrukken uit de Franstalige (en katholieke) ketenen. Hoe ver de onderdrukking ging? Tot in de jaren zestig werd je in een Vlaamse stad als Gent door de elite volstrekt niet serieus genomen als je Nederlands sprak.

Voor de oorlog was het in Nederland geen taboe om te fantaseren over een Dietsland, dat naast Vlaanderen en Nederland ook Frans Vlaanderen (Duinkerken en omgeving) bevatte. Nog in de jaren twintig werden hier Dietse academische dagen gehouden: Nederlandse universiteiten boden Vlamingen de mogelijkheid om in hun moerstaal te studeren. Op alle Belgische universiteiten was Frans de enig toegestane taal.

In de jaren dertig eigende de NSB zich langzaam de Groot-Nederlandse gedachte toe. We hoeven niet onder tafel te vegen dat ook een aantal Vlaams-nationalisten in de oorlog de verkeerde kant koos. Ongeveer tienduizend meldden zich voor de strijd aan het Oostfront. Wederom was de redenering: door aansluiting te zoeken met een Germaans broedervolk, kunnen we uit de klauwen van de Franstaligen blijven. Liever een Duitser in de tuin, dan een Fransman in de keuken.

Nog even terugkomend op dat incident met die Vlaamse minister van de Volksunie. Dat de man werd betrapt op het zingen van Duitse marsliederen, valt niet goed te praten, maar wel door deze historie te begrijpen.

In Vlaanderen is het geen schande om je uit te spreken voor Groot-Nederland. De Franse overheersing heeft diepe wonden geslagen en van de Walen, die er economisch niet gunstig voorstaan, willen veel Vlamingen onderhand wel af. Sommigen kiezen voor een nogal naïef aandoend nationalisme – ze denken het alleen wel af te kunnen – anderen opteren voor aansluiting bij Nederland.

Van extreem links tot extreem rechts zijn er Vlamingen die vinden dat de scheiding tussen Noord- en Zuid-Nederland net zo kunstmatig is als die tussen Noord- en Zuid-Korea. Een keurige heer als prof. Hendrik Gysels ijvert met zijn Unie Nederland-Vlaanderen al heel lang voor een Groot-Nederland. Ook prof. Ludo Abicht, voorzitter van het op marxistische leest geschoeide Frans Masereelfonds, pleit onomwonden voor een fusie met Nederland. En een rauwe socialist als Louis Tobback noemt zich zelfs ‘orangist’.

Een intellectueel grapje, zegt Tobback, inmiddels burgemeester van Leuven. Maar met een serieuze ondertoon. Hoewel Tobback de vorming van Groot-Nederland niet snel ziet komen, is hij wel van mening dat ‘1830’ een historische vergissing was. Als België niet door de machinaties van die verdoemde papen van Nederland was losgeweekt, stelt hij, zou het land in de Eerste Wereldoorlog nooit tot waterzooi zijn vertrapt. En dan was de tandem Nederland-België nu een economisch powerhouse geweest.

Op dat laatste valt weinig af te dingen. En daarvoor hebben we niet eens heel België nodig. Alleen Vlaanderen is al een mooie buit. Pardon: bruid.

Het woordgebruik luistert hier nauw. We moeten voorkomen dat zes miljoen Vlamingen denken dat ze straks worden ingelijfd en de Ossies van Groot-Nederland worden. Een vergelijking die trouwens al in één belangrijk opzicht mank gaat: de Vlaming is stukken welvarender dan de voormalige Oost-Duitser.

In 1999 was het inkomen per hoofd van de bevolking in Vlaanderen groter dan in Nederland. Ook de groei van het bruto nationaal product lag dat jaar een fractie hoger. Er werden in Vlaanderen minder banen gecreëerd, maar dat had mede te maken met de grote hoeveelheid deeltijdwerkers die in Nederland aan de slag is gekomen. En de arbeidsproductiviteit groeit in Vlaanderen sterker dan waar ook in Europa.

Om het nog wat duidelijker te maken: Groot-Nederland zou Canada voorbijstreven op de ranglijst van rijke landen en toetreden tot de prestigieuze onderhandelingstafel van de G-8.

Met speels gemak kunnen ze bij het Vlaams Economisch Verbond, de Vlaamse werkgeversorganisatie, meer voordelen oplepelen van zo’n megafusie. Vlaamse ondernemingen zijn in potentie goed, maar kampen met een gebrek aan kapitaal. Laten de Nederlandse institutionele beleggers, zoals pensioenfondsen, nou net in de miljarden báden.

We kunnen van elkaars specifieke kwaliteiten profiteren. De Vlaming is goed in improviseren, de Hollander in organiseren. De Vlaming past zich gemakkelijk aan, kan goed met Latijnse volkeren zakendoen. De Nederlander verkoopt zichzelf beter, heeft meer marketingkwaliteiten. En daar houdt de win-win-situatie, zoals dat tegenwoordig heet, niet op. Vlaanderen en Nederland zijn beide logistieke scharnierpunten in Europa. Alletwee in het bezit van grote havens: Rotterdam en Antwerpen-Zeebrugge. Op dit moment spelen grote Aziatische concerns de havens tegen elkaar uit. Onlangs nog werden de twee grootste Antwerpse havenoverslagbedrijven door een Singaporees concern overgenomen. Een gemeenschappelijk bestuur zou dit kunnen voorkomen, de inkomsten van beide havens vergroten, waarvan dan weer een deel in de Groot-Nederlandse staatskas vloeit. Geen gezeik, iedereen rijk.

Maar wacht eens even: daarvoor hebben we Groot-Nederland toch niet nodig? We kunnen nu toch ook samenwerken? Het kan, ja, maar het gebeurt niet. Integendeel, we rijden elkaar voortdurend in de wielen. Over de al jaren voortmodderende discussie over de Schelde hebben we het al gehad. De moeizame discussie over de heringebruikname van de spoorlijn IJzeren Rijn is een ander voorbeeld van Nederlandse vertragingstactiek. Ecologische bezwaren worden daarbij steeds opvallend hoog opgespeeld.

In het milieu zijn overigens wel voordelen te behalen. Nederland is het afvoerputje van Europa. Ook Belgische ondernemingen dragen bij aan de vervuiling van Maas en Schelde. In Groot-Nederland zal het eenvoudiger worden om hierover afspraken te maken, en die ook af te dwingen. Je gaat toch niet je eigen land vervuilen?

We sluiten het blokje economie-ecologie af met twee overpeinzingen. Zijn de miljarden die we in de aanleg van de Betuwelijn stoppen nodig als er al een IJzeren Rijn ligt, die onze tweede grootste havenstad Antwerpen – we denken nog even in het Groot-Nederlands – met het Ruhrgebied verbindt? En kunnen we de groeiproblemen van Schiphol niet omzeilen als we de landingsrechten delen met Zaventem?

Helaas. Het taboe op de Groot-Nederlandse gedachte is in Nederland enorm. Hier is de verbeelding dan ook nooit echt aan de macht geweest; eerder zet politieke correctheid al decennialang de toon. Slechts enkele onafhankelijke geesten hebben zich er ooit in positieve bewoordingen over uitgelaten: prof. S.W. Couwenberg, J.A.A. van Doorn en NRC-columnist J.L. Heldring. Inderdaad: the usual suspects.

Geheel onverwacht kregen zij in 1997 bijval van de CDA’er Andries Postma, destijds vice-voorzitter van de senaat. Postma pleitte onomwonden voor de vorming van een Groot-Nederland, niet uit nostalgische, maar uit economische overwegingen. De tijd was er rijp voor, meende hij.

Uit het feit dat Postma niet met pek en veren het land werd uitgedragen, concludeerde publicist Paul Scheffer dat er kennelijk iets aan het veranderen was. Maar tot op heden heeft geen enkele politicus Postma openlijk durven bijvallen. Verder dan het obligate ‘samenwerking is belangrijk’ komt men niet.

Nee, als het om verbeeldingskracht gaat, kunnen Nederlandse politici nog veel leren van de Fransen. Die hebben allang een plan klaarliggen voor het geval België wordt opgesplitst, vermoedt Postma. Mogelijke codenaam: ‘Landjepik’. Frankrijk heeft een oogje op Wallonië, en natuurlijk op Brussel, de Europese hoofdstad, waar men graag de tricolore in top zou hijsen. Hoewel de Franse regering zich formeel niet mengt in Belgische aangelegenheden, herinnert menigeen zich de woorden van Charles de Gaulle. "Als de Walen zich rechtsgeldig bij Frankrijk willen aansluiten, zullen we dat verzoek welwillend bekijken."

En waarom ook niet? Vier miljoen Walen erbij – dat betekent niet alleen meer invloed in allerlei besluitvormingsorganen, maar ook een steviger positie van het Frans. Taal, zo weten ze op het Elysée namelijk, is een belangrijk politiek instrument. Achteloos weggeven van het Frans als officiële taal bij het Europese Merkenbureau, zoals premier Lubbers met het Nederlands deed, laat Chirac wel uit zijn hoofd. En Franse ondernemers zijn hem er dankbaar om, want ze weten dat de Nederlandse concurrenten hierdoor op achterstand zijn gezet.

Ja, zo denken die perfide Fransen dus. En dat kunnen we wel chauvinistisch vinden, maar het is een adequatere manier van machtspolitiek bedrijven dan de op-de-winkel-passers van het Binnenhof gewoonlijk doen. Trouwens: is het dienen van de belangen van volk en vaderland eigenlijk wel zo perfide? Zou dat niet de plicht van elke democratisch gekozen regering moeten zijn?

Zeker is dat Groot-Nederland, of hoe we het gaan noemen, een politieke machtsfactor van belang zal vormen. Een land met 22 miljoen inwoners, zeker als het zo rijk is, heeft nu eenmaal meer te vertellen dat een land met zestien miljoen inwoners. Zo simpel ligt dat in de harde internationale verhoudingen.

In de Europese Raad krijgen we meer stemmen en misschien kunnen we onze zetel in de Europese Commissie behouden. Wie denkt dat Nederland op eigen houtje in een uitgebreide Europese Unie, met straks vijfhonderd miljoen inwoners, ooit nog een Europese Centrale Bankpresident kan leveren, is naïef. Wellicht lukt dat ons wel als we samen optrekken.

Nogmaals, in theorie kan dat nu ook. Maar gelet op de gênante vertoning tijdens de Europese top in Nice blijkt dat we elkaar liever vliegen afvangen.

Allemaal mooi en aardig, maar hoe zit het dan met de zo vaak bezongen cultuurverschillen? De bourgondische Belg, de zuinige Hollander. Passen we wel bij elkaar?

Goede vraag. Kent u die mop van die Belg die... ach, laat ook maar. Zelfs de meligste oom laat het tegenwoordig wel uit zijn hoofd om op een verjaarspartijtje Belgenmoppen te tappen. Kennelijk is er iets in onze beeldvorming van ‘de Belg’ aan het veranderen.

Toen in de tweede serie van het realityprogramma De Bus een stel Vlamingen en Nederlanders bij elkaar werden gestopt, viel op hoe weinig de deelnemers van elkaar verschilden (ze waren even stom) en hoe ongeforceerd ze met elkaar omgingen (ze zaten gezellig in elkaars broekjes). Voor de hand liggende gesprekken over de zuinige Hollander versus de domme Belg bleven in elk geval uit.

Niet eens zo vreemd. Jongeren over de hele wereld gaan in hun gedrag steeds meer op elkaar lijken. Allen staan ze onder invloed van de dominante Amerikaanse cultuur. Of ze nu in Giethoorn of Gent wonen: ze drinken Coca-Cola, luisteren naar Destiny’s Child en eten cheeseburgers.

Uit onderzoek blijkt telkens weer dat ‘de Belgen’ de favoriete buitenlanders van de Nederlanders zijn. Toegegeven, dat geldt nog niet andersom. Als je in een Antwerpse staminee een pilsje bestelt, voel je je als een Duitser die in Scheveningen een kuil graaft. Toch lijkt ook op dit punt iets te veranderen. Met de economische groei, groeit ook het zelfbewustzijn van de Vlaming.

En de Nederlander? Die is bourgondischer geworden. In een stad als Utrecht kon je tot in de jaren tachtig op zondag een kanon afschieten. Inmiddels zijn er talloze kroegen en eetcafés en zitten de terrassen vol – ook op zondag.

Nog zoiets: als Vlaamse politici op de Nederlandse televisie komen, zo is Louis Tobback opgevallen, worden ze niet langer ondertiteld. De tijd dat ‘de Belg’ in Hilversum als achterlijk en katholiek bekend stond, is kennelijk voorbij. Achterlijk waren de Vlamingen natuurlijk al nooit. En ze laten zich inderdaad steeds minder aan de clerus gelegen liggen.

Ook België deconfessionaliseert in hoog tempo. De christendemocraten, die decennialang de touwtjes in handen hadden, zijn, net als bij ons het CDA, naar de oppositiebankjes verdreven. En dat is te merken. Het huwelijk wordt volgend jaar opengesteld voor homo’s en een euthanasiewet is in de maak. Ook in België hebben ze namelijk een ‘paars’ kabinet, zij het met een groen randje.

Maar hoe zit het met de befaamde Belgische toestanden? België is toch het land van Dutroux, van corruptie en cliëntelisme? Klopt. Maar het kabinet-Verhofstadt poogt serieus om daar verandering in aan te brengen.

Een paar voorbeelden. Omdat niemand in België iemand van een andere partij vertrouwt, hebben ministers een eigen kabinet. Zo’n kabinet, dat wel honderd medewerkers kan beslaan, moet vooral de politieke positie van de minister bewaken. Omdat de belangen van zo’n kabinet en die van het ministerie, dat immers het algemeen belang zou moeten dienen, niet altijd stroken, vinden er voortdurend loopgravenoorlogen plaats. De regering Verhofstadt brengt daarom de kabinetten in omvang terug.

Corruptie en nepotisme zijn onder Belgische ambtenaren usance. Burgers die niet bereid waren om de tweede wintersportvakantie van een douanier of gemeenteambtenaar te bekostigen, konden tot voor kort nergens met hun klachten terecht. Zeker als je niet de juiste partijkaart op zak had. Naar Nederlands voorbeeld is er in Vlaanderen sinds kort een onafhankelijke ombudsman die overheidsdienaren op de vingers kan tikken.

Een andere eigenaardigheid van de Belgische politiek is dat er zoveel dubbelfuncties bestaan. Een Kamerlid kan gerust burgemeester zijn. Niet eens zo verwonderlijk als je bedenkt dat riante uitkeringen voor uitgerangeerde politici, zoals Nederland die kent, in België niet bestaan. Aangezien deze dubbelmandaten leiden tot een onaanvaardbare concentratie van macht, worden nu pogingen ondernomen om ze te beperken: de anti-cumulatiebepaling.

Het kan beter, sneller, maar de aanzet tot de grote schoonmaak is er. Daarbij spelen de Vlamingen, die graag naar het Nederlandse of Angelsaksische model verwijzen, een stuwende rol, en zijn de Walen, die de Franse bestuurlijke cultuur gewend zijn, de remmers.

Over Walen gesproken. Willen die wel van België af? Staan zij de gewenste fusie van de eeuw niet hinderlijk in de weg? Het klopt dat Wallonië het meeste profijt trekt van het bestaan van België. Terwijl in Vlaanderen zeventig en in Wallonië dertig procent van het geld wordt verdiend, staan de overheidsuitgaven in een verhouding 55-45. Het gat tussen die twee zijn de ‘solidariteitsoverdrachten’: miljarden die vooral naar de Waalse sociale zekerheid en gezondheidzorg vloeien. Omdat solidariteit zo lang is als het huishoudboekje breed, is dit nog een reden te meer voor de Vlaming om van de Waal af te willen.

Wallonië is arm. De oude delfstoffenas, die loopt van de Borinage tot Luik, is bijna failliet. De laatste hoogovens worden nu geruimd. Er zijn Waalse voormannen die eieren voor hun geld kiezen en zich vastklampen aan de Belgische eenheidsstaat. Zonder Vlaanderen is Wallonië niet levensvatbaar, redeneren zij. Andere Waalse leiders zien dat ook, maar kiezen voor een rattachement (wederaansluiting) bij Frankrijk.

Volgens Guido Fonteyn van De Standaard neemt het rattachisme hand over hand toe. In Wallonië vinden ze namelijk de Vlaming helemaal niet zo’n plezanterik, maar een agressieve zeurkous. De Waalse premier Collignon ging een jaar geleden naar een congres in Frankrijk waar hij Wallonië zo ongeveer op een presenteerblaadje aanbood. Elk jaar trekt een club fanatieke Walen naar het monument van de Gekwetste Adelaar in Waterloo, waar zij Napoleon een eresaluut brengen. Een soort Waalse IJzerbedevaart.

Maar het sterkste bewijs dat de Walen helemaal niet zo om België kreunen, is dat de verregaande staatshervormingen sinds de jaren zeventig met hun volledige instemming plaatsvinden. Voor een wijziging van de grondwet is namelijk niet alleen een tweederde meerderheid in het parlement nodig, maar ook een (gewone) meerderheid van de taalgroepen.

Bon. Van die Walen hebben we weinig te duchten. Maar er is nog het een en ander dat België kunstmatig overeind houdt: de munt, de monarchie en Brussel. Over de munt hoeven we het niet lang te hebben: de frank maakt in 2002 plaats voor de euro. De monarchie is een lastiger probleem, ofschoon niet onoverkomelijk. Uitgesloten is dat de nazaten van Máxima en Willem-Alexander met een lid van het huis Saksen Coburg-Gotha trouwen en zo geruisloos de twee monarchieën aaneensmeden. In de Belgische grondwet is dit verboden; een erfenis van de Nederlands-Belgische oorlog die in 1830 werd beslecht. Maar op zich kunnen twee koningshuizen best naast elkaar bestaan in Groot-Nederland, zo heeft het Duitse keizerrijk bewezen, waar bijvoorbeeld ook nog een koning van Beieren bestond.

En Brussel? Ja, dat is het grootste struikelblok. Aan de ene kant hoofdstad van België én Vlaanderen. Aan de andere kant voornamelijk Franstalig en een vooruitgeschoven post van Wallonië. Discussies over een Belgische boedelscheiding lopen tot dusverre stuk op de vraag wie het rijke, prestigieuze Brussel krijgt. Maar ook op dit punt is er wat beweging. Er zijn al Waalse en Vlaamse nationalisten die bereid zijn Brussel aan de ‘tegenpartij’ te gunnen; zijn ze tenminste van het gezeur (en elkaar) af. De Brusselaar zit daar overigens niet echt om te springen, want bij geen van beide voelt hij zich echt thuis. Een reëlere oplossing is dat Brussel een eigen statuut krijgt en een stadstaat wordt.

Maar misschien denken we nu wel te veel in achttiende-eeuwse termen. Is de soevereine staat niet een tikkeltje achterhaald? Europa heeft bewezen dat landen een deel van hun soevereiniteit kunnen afstaan, terwijl ze een ander deel behouden. Of Europa ooit van een statenbond (confederatie) een bondsstaat (federatie) wordt, is onderwerp van discussie. Zeker is wel dat er in de praktijk bij de lidstaten al niet veel meer over is dan uiterlijk vertoon: de nationale vlaggetjes, presidenten of koningshuizen, de legers en volksvertegenwoordigingen. En in Brussel zijn ze nu ook al bezig een Europees leger op te tuigen.

Wat Europa in het groot kan, kunnen Nederland en Vlaanderen in het klein. Eerst een statenbond vormen, die langzaam uitgroeit tot een bondsstaat, zoals Duitsland of België. Juridisch is de vorming van een confederatie geen probleem. Vlaanderen is zelfstandig bevoegd om verdragen af te sluiten. Zo’n verdrag staat zelfs op voet van gelijkheid met Belgische verdragen. In geval van tegenstrijdigheid moet een speciaal arbitragehof het salomonsoordeel vellen. Om maar weer eens aan te geven hoe weinig er feitelijk nog van België over is.

Twee landen die door middel van verdragen aan elkaar zijn geklonken – dat is de facto Groot-Nederland, beweert iemand als Postma zelfs. Er zijn al kleine aanzetten te vinden. Zo is er de Taalunie, waarin Nederlanders en Vlamingen samen over onze spelling beslissen. Er zijn de Waterverdragen. En er is het Verdrag inzake de Transnationale Universiteit Limburg.

Een mooi vergezicht tekent zich af. We beginnen met de zeggenschap over de havens en de universiteiten aan een supranationaal orgaan over te dragen. Langzaam breiden we de verdragen uit naar de terreinen van ontwikkelingssamenwerking, ruimtelijke ordening. Als we toch bezig zijn, kunnen we de belastingen ook wel samen doen. Daarna.... Afijn, nu moeten alleen die diknekken in Den Haag nog wakker worden.

 

Bron: www.standejong.nl/archief/2001/2001_21_fusienl-be.doc